De familie Loeff (notaris)

(C.B. Leering, bewerkt door Johan H. Wolters) Eerder verschenen in nieuwsbrief nummer 42.

Omstreeks het jaar 1875 vestigde de heer C.M. Loeff zich als notaris in de
gemeente Zuidland. Hij kocht een perceel grond dat van de Steenenweg
reikte tot aan de Oude Watering. Op dit terrein, waarop een meestoof had

gestaan, bouwde hij een statig herenhuis. Met zijn jonge vrouw, mevrouw
E. Loeff-Gelpke betrok de notaris dit mooie gebouw, dat tachtig jaren het
familiehuis zou blijven.
Het echtpaar Loeff kreeg vijf zoons, Cornelis, altijd Kees genoemd, Frits,
Jan, David en Adriaan. Zowel de notaris als zijn vrouw waren afkomstig uit
Noord-Brabant. In hun uitspraak heeft men de bijzondere klank van het
Brabants dialect altijd kunnen beluisteren.
Leuk was het, mevrouw Loeff te horen zeggen, “ons Ariaoneke” als zij over
haar jongste zoon sprak . Voor het notarishuis was een keurige tuin aangelegd, met in het midden een groot grasveld, waarop een zonnewijzer. Om dat grasveld heen liepen vanaf het ijzeren hek aan de Steenenweg twee brede paden naar het woonhuis.
Tegen het hoofdgebouw aan stond een kleiner gebouw, waarin het kantoor
van de notaris was gevestigd. Links en rechts kon men om dit complex heen
lopen en dan kwam men in de achtertuin. Deze strekte zich uit tot aan de
watering en besloeg dus een aanzienlijke oppervlakte. Vlak achter het huis
was een terrein, dat begrint was. Aan de ene zijde hiervan stond een
bergschuurtje, aan de andere kant een mooie koepel en een gymnastiekstellage met twee schommels, ringen en rekstok, waarmee de jongens zich konden vermaken. Dan volgde een flink bleekveld en een bloementuin. Vervolgens een grote moestuin met veel bessenstruiken. Daarachter tal van vruchtbomen, een kleine boomgaard, waarin een visvijver. Het achterste gedeelte van de tuin, tegen de watering aan, was dichtbegroeid met struikgewas en werd daarom het bosje genoemd. Hier stond een koepel van ineengegroeid loofhout. Men ziet: een prachtbezitting!

De bewerking en het onderhoud van de tuin was opgedragen aan Arie van
Sintmaartensdijk die er veel werk in vond, daarin dikwijls bijgestaan door
een van zijn zoons, Pieter, Wout of Arie. De familie Sintmaartensdijk woonde in het huis net voorbij het tuinhek van de notaris.
De heer en mevrouw Loeff spaarden kosten noch moeite om hun jongens een gelukkige en prettige jeugd te geven. Reeds genoemd zijn de benodigdheden om de gymnastiek te beoefenen. Maar behalve dat was er zowat alles wat een jongenshart vreugde kon geven. Zo lang zij er nog niet te groot voor waren, was er altijd een bok met wagen. Drie à vier honden hebben elkaar opgevolgd. Ze moesten altijd Prins heten.
De koepel achter het huis was compleet een timmerwinkel met werkbank,
bankschroef en goed gereedschap. Hier kon naar hartelust geknutseld worden. Liefde voor de natuur, vooral voor de dieren werd de jongens al vroeg bijgebracht. Konijnen, duiven en eenden ontbraken niet. Ieder voorjaar werden er kuikentjes gebroed en de jongens zelf waren met de verzorging van hun dieren belast.
In de schuur bevond zich een waar arsenaal van allerlei prettige dingen: een paar polsstokken om slootje te springen, stelten, hengels, vlaggen, sleden, een paar klepkooien om vogels te vangen. De vogels, die zich hadden laten verschalken, mochten nooit langer dan één dag vastgehouden worden.
Volgens het oordeel van de notaris was dat lang genoeg om ze goed te bekijken en te bespieden en daarna kregen ze weer de vrijheid. In de bosjes
hadden de jongens een hut gebouwd, waarboven dikwijls de vlag wapperde.
In en om deze hut speelden zich allerlei Wild-West avonturen af. In één
woord: een waar jongensparadijs, waarvan vele schoolkameraden ook
hebben genoten. De heer Loeff was een liefhebber van vissen. Zo nu en dan
zag men hem op hoge laarzen en met een pols over de schouder de polder
intrekken om met schakels de een of andere watering af te vissen. De openbare school in Zuidland, waarvan de heer G.C. de Hondt het hoofd was, heeft de vijf jongens van de notaris allen als leerling gehad. Na de lagere school gingen zij of naar het instituut van Dongen in Dordrecht
of naar het instituut Japikse in Geertruidenberg. Deze beide inrichtingen, die een zeer goede naam hadden in den lande, stonden ongeveer op het niveau van de tegenwoordige v.w.o. Na zijn schooljaren ging Kees studeren voor het notariaat en kwam, na de drie notariële examens met goed gevolg te hebben afgelegd, als kandidaat bij zijn vader op het kantoor.
Later volgde hij zijn vader op als notaris. Frits ging naar de polytechnische
school, de tegenwoordige technische hogeschool in Delft, om zich enige
jaren later als textielfabrikant te vestigen in Nunen, provincie NoordBrabant. Op ongeveer zestienjarige leeftijd begon nr. drie Johan Frederik, kortweg Jan genoemd, zijn studie aan de openbare handelsschool in Amsterdam en behaalde daar het einddiploma. Helaas heeft hij de verworven kennis niet in de praktijk kunnen brengen.
Toen Jan ongeveer negentien jaar was, openbaarde zich bij hem de wrede
kwaal, die zoals de dichter Genestet zo treffend zegt, langzaam moordt als
sluipend gif, doch wis als ‘t grievend staal. En de wetenschap in die dagen nu meer dan honderd jaar geleden, stond daar machteloos tegenover.
De heer Loeff nam direct de nodige maatregelen. Hij bracht zijn zoon naar
een sanatorium in Zwitserland waar genezing misschien nog mogelijk was.
Zo belandde Jan in Leysen, een klein plaatsje in het kanton du Vaud (Waadtland), gelegen op de hellingen van de Deuts du Midi, één der
bergreuzen in de Alpen.
Na een kuur van vele maanden van oktober tot mei keerde hij naar huis terug. Maar al spoedig bleek, dat de kuur herhaald moest worden. Zelfs nog verscheidene jaren achtereen. Dit alles zal natuurlijk zijn leven wel gerekt
hebben maar genezing bracht het niet en Jan overleed toen hij even in de dertig was.





Facebook 0
Google+ 0
Twitter
LinkedIn 0

Leave a Reply

VERENIGINGSNIEUWS

Leave a Reply

Close Menu