Enkele herinneringen aan de watersnoodramp van 1953 in Zuidland

Dit verhaal heb ik geschreven voor mijn kinderen, kleinkinderen en de kinderen van mijn zus en broer. Ik was 14 jaar en heb de ramp, hoe vreselijk die ook was, enigszins als een jongensavontuur beleefd.
Het is zaterdagavond 31 januari 1953. Die avond zit ik bij Mijntje en Gilles, mijn zus en zwager, aan de Wilhelminastraat 3. De wind loeit ongekend hard door de schoorsteen. Zo hebben wij het nog nooit gehoord. Om een uur of elf ga ik huiswaarts. In de rookstoel in de kamer zit Jas de Hoog, een kennis van mijn ouders vanuit het schoolbestuur van vroeger. Hij komt iedere zaterdagavond een poosje op bezoek. Zo ook deze avond. Wij praten nog wat over de storm die er woedt. Ik vertel dat ik amper tegen de wind in naar huis kon komen. Het lijkt verder een gewone zaterdagavond. Ieder gaat zijns weegs.

Wij gaan naar bed. ‘s Nachts begint de klok te klepperen. Teun van Cent (zoon van Cent Zevenbergen), die voor de gemeente werkt, luidt iedere dag op vaste tijden de klok. Mijn oom Bas, een broer van mijn moeder, luidt als koster de klok voor de hervormde kerk. Dit gebeurt op zaterdag en zondag. Soms mogen wij wel eens helpen met luiden.
Wij krijgen altijd te horen: ‘Zorg ervoor dat je pas weer aan het touw trekt nadade bel tegen de klepel komt.’ Trek je te vroeg aan het touw dan komt de bel maar aan één kant tegen de klepel en kleppert de klok.
Nu hoor ik ineens hoe het geluid van klepperen klinkt. De toren is niet ver van ons huis. Ik woon aan het Langeslop 92, nu Dorpsstraat 14. Opeens schrikt iedereen wakker. Brand!, is de eerste gedachte. Maar wat vreemd dat de sirene niet gaat of dat de klok niet gewoon luidt.
Wij zijn snel ons bed uit en aangekleed. Buiten lopen mensen rond. Al snel horen wij dat er geen brand is, maar er is gevaar voor een dijkdoorbraak. Mijn broer Piet die bij de marine zit, is met weekend. Samen gaan wij boven bij de Ring kijken. Bij de Dam vlak bij het postkantoor en bij het Hoofd naast café Kabbedijk zien wij beneden water staan. Thuis aangekomen blijven wij buiten nog wat praten.

Dan doemt in het donker, vanaf de Ring, een markante figuur op met een vastberaden tred, het is wethouder Wolters (Piet Wolters een neef van mijn moeder), gestoken in zijn bekende jekker. Hij blijft even staan om mijn vader te vertellen hoe precair de situatie is. Gisteravond heeft burgemeester De Kool via de telefoon van de heer Han van Beek, die boer is net voorbij Strodorp vlak bij het Spui, te horen gekregen dat hij nu iets heeft waargenomen wat hij nog nooit heeft gezien: bij laagwater stond het water zo hoog tegen de dijk als
anders bij springvloed. Vannacht heeft hij de burgemeester weer gebeld met het advies: ‘Waarschuw de bewoners, het kan goed misgaan. De dijken kunnen doorbreken.’ De burgemeester heeft de klok laten klepperen. Piet van der Werf, de vrachtrijder van het dorp, is gevraagd de mensen in de polder te waarschuwen.
Dit gesprek duurt hooguit enkele minuten. De wethouder verdwijnt in het donker, tegen de storm in lopend, richting het Beneen (de Breedstraat) op weg naar zijn gezin. Zij wonen aan de Kerkweg vlak tegen de Drogedijk, naast tante Dirkje, een zus van mijn moeder, met haar man en drie kinderen.
Mijn vader zegt: ‘Ga jij eens bij Mijntje en Gilles kijken hoe het daar is, Gilles zal wel naar de melkfabriek zijn.’ Mijn zwager is directeur van melkfabriek Quak-Melk. Mijntje en Gilles wonen in de eerste nieuwbouwwijk van Zuidland, met straatnamen genoemd naar de koninklijke familie. Tussen het oude gedeelte van Zuidland en de nieuwbouw loopt een breed water voor de afvoer van regenwater, de watering genoemd. Om in het nieuwe gedeelte van het dorp te kunnen komen, is met een duiker een brug over de watering gebouwd. Bij de watering staat het water boven tegen de kant. Gelukkig heb ik mijn laarzen aan. Mijntje is bezig wat spullen in veiligheid te brengen.
Jasper, hun zoon van nog geen jaar, heeft zij vast in de kinderwagen gelegd voor het geval zij moeten vertrekken. Gelukkig, daar komt Gilles. ‘Bij de watering stroomt het water over de weg’, zegt hij. ‘Het lijkt me verstandig dat wij naar het dorp gaan. De dorpsring ligt een stuk hoger. Daar zijn wij veiliger.’ De deur wordt achter ons dichtgetrokken. Wij gaan richting de Gooidijk (Stationsweg). Recht voor de Wilhelminastraat naar boven staat het huis van dokter Woittiez. Een eindje rechts daarvan staat de grote boerderij van Zoeteman. Boven aangekomen zien wij dat het water met grote kracht tussen het huis van de dokter en de schuur van Zoeteman over de weg stroomt. De dijk is hier aanmerkelijk lager dan verderop. Midden in het water van dit lage gedeelte staat de vrachtwagen van Piet van der Werf. Is hij daar gestrand omdat het water te diep is en te hard stroomt, of is de brandstof op en kon hij daardoor niet verder? Dit vraag je je later af. Wat te doen, kunnen wij wel veilig door dit hard stromende water gaan? De vrachtwagen kan een hulp zijn.
Gilles besluit: ‘Wij proberen er door te komen.’ Mijntje en hij houden de stang van de kinderwagen vast. Gilles loopt voorzichtig het water in. De kinderwagen maakt een zwieper van negentig graden. Wij gaan een stukje terug.
Ik moet de achterkant van de wagen vasthouden. Zo schuifelen wij naar voren en proberen de vrachtauto te bereiken. Dit lukt. Eenmaal bij de auto gekomen, kunnen wij ons aan de lijzijde van de vrachtwagen aan de bak vasthouden. Zo lopen wij door het diepste gedeelte van het water. Ik kijk even naar rechts en zie met welk een kracht het water in de watering stort. Even gaat er een rilling door mij heen. Voorbij de auto wordt het snel ondieper en kunnen wij onze weg vervolgen. Wij gaan naar Langeslop 92 (Dorpsstraat 14). Opeens komt er een groep koeien in volle draf aangerend. Zij gaan in volle vaart het Langeslop op richting de Ring. Toch eens even gaan kijken waar die blijven. Bij het Hoofd staan er al enkele beesten in het water. Mannen proberen ze tegen te houden. Dit lukt. Na later blijkt, zijn het de koeien van de gebroeders Van de Berg, Dirk, Jan en Wullem, die hun bedrijf aan de Kerkweg hebben. Zij hebben ze losgesneden in de stal. De koeien zijn in volle draf naar het dorp gerend. Op de Ring aangekomen willen ze richting Simonshaven, naar de eerste Stomperd, waar net voorbij het weiland ligt waar de koeien ‘s zomers verblijven.

Terug op het Langeslop verschijnen er twee zwarte paarden. Ik herken ze. Het zijn de twee zwarte van Besjaan Blaak. Op één ervan zit zoon Jan. Hij is met de paarden vanaf de Ramshilseweg naar

het dorp gereden. De paarden ken ik heel goed. Het zijn moeder en dochter.
Een groot deel van mijn lagere schooltijd heb ik op zaterdag en in de vakanties doorgebracht op de boerderij bij de familie Blaak. Een van de paarden trok altijd de melkcross waarmee de melkbussen vervoerd werden als de koeien in de wei werden gemolken. ‘s Zaterdags gingen zij er altijd vrouw Herrewijnen op het dorp mee halen. Zij verstelde kleren en stopte sokken op de boerderij. Zij woonde vlak in de buurt van ons. Ik kon dan ook meerijden.
‘s Avonds reden wij zo ook weer terug naar het dorp. Ik had grote bewondering voor ruiter en paarden. Zij hebben het in het donker en de storm gered om veilig op het dorp te komen.
Steeds meer mensen komen richting het Langeslop (de Dorpsstraat). Nicht Ink, haar man Wim Krijgsman en hun tweeling Centina en Mijntje arriveren.
Een oudere vrouw wordt door twee mannen tussenin gedragen, zogenaamd kakkestoelen meien. Het is opoe Van Sintmaartensdijk (opoe Brakken). Opa loopt zelf. Zij allen komen bij ons in huis. Zus Mijntje zegt: ‘Ik ben de pap voor Jasper vergeten.’ ‘Oh,’ zegt Ink, ‘dan neem je de helft van mij.’ Zij houdt er geen rekening mee dat zij twee kinderen moet voeden.
Dit verblijf duurt niet lang. De Zeedijk bij het Haringvliet breekt door. Het water stroomt de Zuidlandse polder binnen. De polder stroomt vol. Al gauw komt het water het Langeslop op. Pleun de Hoog waadt, tot haar middel in het water, als laatste naar het Langeslop.
Aan de achterkant van ons huis stroomt het water naar binnen. Dit betekent: wij moeten het pand verlaten. De familie Krijgsman gaat naar een huis hogerop. Zij blijven daar niet lang. Al snel brengt een taxi hen naar Rotterdam. Wij gaan naar het huis van ome Henk. Dit ligt wat hoger aan de straat. Hopelijk komt het water hier niet.
Als iedereen hier gearriveerd is, vraag ik: ‘Waar is Monta onze hond?’ Niemand weet het. Dan is ie nog thuis. Ik vlug naar beneden. Nog net kan ik door de voordeur naar binnen. Ja, achter in de keuken staat Monta. Snel lopen wij naar de voorkamer. Het raam schuif ik omhoog en daar kruipen wij door naar buiten. Opa en opoe vertrekken kort daarop naar Oostvoorne, naar een neef, Bertus Verhulst. Mijntje, Gilles en Jasper gaan naar Spijkenisse.
Staande in de kamer bij ome Henk, kijk ik door het raam en net voor het Korteslop (de Kerkstraat) zie ik een auto in het water staan. Het is de volkswagen van dokter Verhoog.
Vlak voor de opgang naar het Korteslop zit een verdieping in de weg. Hierin is de dokter gestrand. Net nadat de volkswagen in het water is blijven steken, komt Rudie van Meurs, mijn goede vriend, met de bestelwagen van zijn moeder bij deze plek aan.
De dokter is net uit de auto geklommen. Hij roept en gebaart: ‘Ga terug’. Rudie, zijn moeder en Ina rijden achteruit weer richting het Beneen (De Breedstraat) en weten via het Langeslop veilig de Ring te bereiken. Rudie was 13 jaar. Hij kon al goed rijden. ‘s Avonds zette hij dikwijls de auto in de garage. Eerst reed hij dan een rondje over het Beneen (wordt vervolgd)

Door Marius Velthuizen. Eerder gepubliceerd in nieuwsbrief 104-105 (2018)

Facebook 0
Google+ 0
Twitter
LinkedIn 0

Leave a Reply

Close Menu