{"id":45,"date":"2019-08-17T15:16:45","date_gmt":"2019-08-17T15:16:45","guid":{"rendered":"http:\/\/sland.zuytlant.nl\/?p=45"},"modified":"2019-08-17T15:16:46","modified_gmt":"2019-08-17T15:16:46","slug":"jochem-quispel-de-zuidlandse-boerenzoon-die-vakbondsleider-werd","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/?p=45","title":{"rendered":"JOCHEM QUISPEL: DE ZUIDLANDSE BOERENZOON DIE VAKBONDSLEIDER WERD."},"content":{"rendered":"\n<p>Het was 17 oktober 1871. Een gure wind\u00a0waaide over het Haringvliet en de regen sloeg\u00a0met vlagen over de dijk langs de Zuidlandse\u00a0Polder. Achter die dijk lag een jongen te\u00a0schuilen tegen een koe. Hij was helemaal in\u00a0zijn oliejas en zuidwester gekropen om dekking tegen de gure natte vlagen te vinden en probeerde zich te warmen aan het lichaam\u00a0van het dier.<\/p>\n\n\n\n<p>Hij heette Jochem en was de&nbsp;zoon van Willem Quispel en Adriaantje Zeelenberg. Vader was lid van de Zuidlandse&nbsp;gemeenteraad en had een gemengd bedrijf,&nbsp;waarop de kinderen al vroeg moesten meewerken. Op 18 oktober 1861 was hij geboren&nbsp;en nu lag hij zich in het natte gras te verheugen op de volgende dag. Dan was hij jarig en&nbsp;omdat hij 10 jaar werd mocht hij het vanaf die&nbsp;dag aan zijn jongere broertje overlaten om op&nbsp;de koeien te passen.<br>De crisis bracht armoede \u00cen vele boerengezinnen.&nbsp;Grootvader Jacob Quispel en grootmoeder&nbsp;Geertje van Smeerdijk waren welvarend genoeg geweest. Zij hadden een grote boerderij&nbsp;in de Zuidlandse polder, in Meeuwenoord en&nbsp;Scheijel, en ook nog een stuk grond dat&nbsp;grensde aan Oudenhoom en Abbenbroek.<br>Grootvader had de Franse bezetting nog meegemaakt, maar toen Napoleon met zijn garde&nbsp;uit Nederland was verdwenen had hij prima&nbsp;zaken gedaan. Jochem\u2019s vader had nog twee&nbsp;broers en toen Jochem\u2019s grootvader overleed&nbsp;werd de grond over de drie broers verdeeld.<\/p>\n\n\n\n<p>De gouden tijd voor de landbouw was over\u00a0haar hoogtepunt heen, de welvaart van grootvader zat er voor de volgende generatie niet\u00a0meer in. Toen Jochem geboren werd, konden\u00a0de boeren dat van jaar tot jaar al merken. De\u00a0prijzen die zij voor hun produkten kregen,\u00a0daalden en de waarde van de grond zakte drastisch. De gezinnen werden ook groter,\u00a0omdat er veel minder baby\u2019s en jonge kinderen stierven. Zo waren er dus steeds meer,\u00a0zelfs veel meer monden, die van een steeds\u00a0kleinere opbrengst moesten eten.<br>In de jaren rond 1870, toen de grote landbouwcrisis heerste, leek het wel of alle rampen bij elkaar kwamen. Misoogsten en\u00a0boerderijbranden stapelden zich op. Door de import van graan uit Amerika daalden de prijzen\u00a0die de Zuidhollandse boeren voor hun graan\u00a0kregen tot onder de kostprijs, maar ook de\u00a0prijzen van melk en vlees stonden niet meer in\u00a0verhouding tot de kosten van het veevoer.<\/p>\n\n\n\n<p>Ook rijke boeren raakten stuk voor stuk tot&nbsp;armoede.&nbsp;Het gezin waarin Jochem opgroeide werd&nbsp;groot. Zijn ouders kregen elf zonen en vijf&nbsp;dochters, maar slechts zeven zonen bereikten&nbsp;de volwassen leeftijd. Jochem was de tweede&nbsp;zoon en zijn vader\u2019 had al grond moeten verkopen om het bedrijf draaiende te houden&nbsp;De koeien die Jochem weidde, liepen op een&nbsp;stuk grond dat vader gehuurd had aan de dijk&nbsp;langs het Haringvliet. Als Jochem met zijn&nbsp;koeien langs die dijk liep, zag hij zeilschepen&nbsp;uit verre vreemde landen voorbij varen. Ze&nbsp;kwamen of gingen naar Rotterdam. Als het&nbsp;stormde, lagen er bij Hellevoet (er was toen&nbsp;nog heel wat vaart door het Voomsche Kanaal) veel schepen te wachten omdat ze niet&nbsp;konden uitvaren. Jochem vond Rotterdam erg&nbsp;ver weg. Soms sprongen er zeelieden over&nbsp;boord en zwommen naar de wal, omdat ze&nbsp;niet meer terug naar zee of hun eigen land&nbsp;wilden. Jochem haalde ze dan drijfnat uit het&nbsp;water en bracht ze naar de boerderij. Hun&nbsp;kleren werden gedroogd en ondanks hun eigen armoede kregen ze van zijn moeder&nbsp;warm te eten en drinken. Gastvrijheid en behulpzaamheid vonden ze thuis heel gewoon.<br>Als de kinderen niet weggestuurd werden,&nbsp;luisterden ze in de keuken met rode oren naar&nbsp;de verhalen van de zeelui, die daarna weer&nbsp;naar elders vertrokken, want veel werk was er&nbsp;op Voorne en Puiten niet te vinden.&nbsp;Schippersknecht, visser en een beslissende&nbsp;storm&nbsp;Jochem bleef thuis wonen totdat hij voor de<br>dienstplicht werd uitgeloot. In tegenstelling tot&nbsp;zijn broers was hij niet groot, maar hij was wel&nbsp;breed en gespierd en had handen als kolenschoppen. Zijn gezicht was hoekig en bonkig,&nbsp;met introverte ogen die altijd naar de einder&nbsp;leken te kijken. Hij was kort van stof, erg verlegen en liep graag op zijn klompen over de&nbsp;dijk te klossen, de handen diep in de zakken,&nbsp;broedend op een betere toekomst. Hij was&nbsp;pienter, vond de meester op school, al moest&nbsp;hij wel beter zijn best doen op taal. \u201cDie jongen van jullie moet onderwijzer worden\u201d, had&nbsp;de meester tegen zijn ouders gezegd. Maar&nbsp;Jochem was thuis nodig en zijn ouders zouden niet weten waar ze het geld voor de opleiding vandaan moesten halen.<\/p>\n\n\n\n<p>Toen duidelijk was dat Jochem niet in dienst&nbsp;hoefde, moest hij omzien naar een manier om&nbsp;de kost te verdienen. Hij was inmiddels twintig&nbsp;en vader had thuis nog heel wat jonge monden te voeden. Hij ging werken als knecht bij&nbsp;een herenboer, maar na twee jaar gaf hij daar&nbsp;de brui aan en nam werk aan als schippersknecht op een snelvarend galjoot, dat als&nbsp;vrachtschip op de Zeeuwse en Zuidhollandse&nbsp;eilanden voer. Het werk was niet minder hard&nbsp;en het loon niet beter. Langs de trekvaart en&nbsp;door de sluizen, of gewoon als er geen wind&nbsp;stond, moest het schip getrokken worden. Van&nbsp;vrije tijd of van af en toe naar huis mogen, had&nbsp;de schipper nog nooit gehoord. Verlegen was&nbsp;Jochem intussen niet meer, maar wel driftig&nbsp;en de uitzichtloosheid en het knechtenbestaan zat. Op een dag legden ze aan voor de&nbsp;sluis in het kanaal bij Wemeldinge. Het lag er&nbsp;propvol met schepen en er was een gedrang&nbsp;van jewelste, want iedereen wilde als eerste&nbsp;verder varen. De schipper droeg Jochem op&nbsp;om het schip te trekken en ervoor te zorgen&nbsp;dat ze bij de eerste lichting waren die in de&nbsp;sluis kwam. Jochem vond het wel welletjes.<br>\u201cIk zal het doen, maar alleen als ik daama&nbsp;meteen mijn geld krijg en naar huis mag\u201d, zei&nbsp;hij en zo gebeurde het.<\/p>\n\n\n\n<p>Toch bleef hij nog een paar jaar op de binnenvaart werken en hij bracht het zo ver dat hij\u00a0uitzicht kreeg op een baan als kapitein bij de\u00a0Brielsche en Leeuwarder boot. Maar een dokter constateerde gewrichtsrheumatiek en zei\u00a0dat hij nooit meer zou kunnen werken. In\u00a0plaats van kapitein werd hij een eenzame\u00a0zalmvisser. Er werd in die dagen vanaf Rotterdam tot aan het einde van de Waterweg zalm gevangen. Wie om werk verlegen zat, aan\u00a0een vlet met een sleepnet kon komen en voldoende lef had om daarmee de Waterweg op\u00a0te gaan, kon altijd nog proberen zelf gevangen\u00a0zalm te verkopen. Op een koude, stormachtige, maartse dag werd de vlet door de stroom\u00a0echter onherroepelijk naar open zee getrokken en Jochem\u2019s leven hing aan een zijden\u00a0draadje. Toen hij na drie kwartier letterlijk roeien voor zijn leven, doornat en stijf als een\u00a0plank aan land kwam, wist hij dat hij van Hogerhand gered was om iets bijzonders met\u00a0zijn leven te doen. \u201cIk heb toen een opdracht\u00a0gekregen\u201d, legde hij later vaak uit en het luidde de grootste verandering in zijn leven in.<\/p>\n\n\n\n<p>Als \u2018gastarbeider\u2019 naar Rotterdam<br>Intussen had hij kennis gekregen aan Jannetje Maria van de Water&nbsp;(*&nbsp;Moordrecht 17 feb.&nbsp;1870), een dochter van Aert van de Water en&nbsp;Carnelia Zwaneburg. lij trouwden in 1894 in&nbsp;Waddinxveen.&nbsp;lijn&nbsp;broers hadden het er al&nbsp;vaak over gehad, dat er in de Rotterdamse&nbsp;haven een goede boterham te verdienen was.<br>De verhalen over de lonen van de bootwerkers waren zelfs zo aantrekkelijk, dat heel wat&nbsp;Voomse en Puttense boerenzonen, die thuis&nbsp;geen uitzicht op land of een goed bestaan&nbsp;hadden, evenals Jochem\u2019s broers de weg&nbsp;daarheen al gevonden hadden.<\/p>\n\n\n\n<p>Jochem vond werk bij de Holland Amerika Lijn\u00a0(HAL), die de schoorstenen van haar schepen\u00a0groen-wit-groen had geverfd. \u2018Groen wit\u00a0groen, veelte doen voor weinig poen\u2019, ging\u00a0het onder de bootwerkers, maar toen waren\u00a0Jochem en Jannetje in Rotterdam al in een\u00a0armoedig optrekje getrokken. De werkelijkheid viel bitter tegen. Het werk werd uitgegeven\u00a0door onderbazen. Mannen die hen trakteerden op een fles jenever of die de sleutel van\u00a0hun huis (en daarmee de toegang tot hun\u00a0vrouw) achterlieten als zij nachtwerk hadden,\u00a0waren in het voordeel. Veel bazen betaalden\u00a0het loon vervolgens uit in de kroeg en niet\u00a0zelden kwamen er meer streepjes op de lat\u00a0dan de vrouw centen op tafel kreeg. Er werd gevloekt, er werd gevochten, er was corruptie\u00a0en omdat er vierhonderd man aan de poort\u00a0stonden waar er twintig nodig waren, werd er\u00a0veel geslikt. Het was de tijd van Domela Nieuw\u00a0wenhuis en vurige socialistische propaganda,\u00a0die gezien de omstandigheden in vruchtbare\u00a0aarde viel. Jochem kwam met meer geld naar<br>huis dan hij met zijn zalmen had kunnen verdienen, maar daarvoor werkte hij van maandagochtend 7 uur tot dinsdagavond 9 uur,\u00a0sliep dan tot woensdagochtend 7 uur en werkte tot donderdagavond 9 uur en tenslotte vrijdags van 7 uur \u2018s ochtends tot zaterdagavond\u00a06 uur. Wat hij echter vooral wenste te kunnen\u00a0weigeren was het vele werk op de zondag, die\u00a0voor hem de dag des Heren was en dat ook\u00a0moest blijven.<br>AI snel werd Jochem lid van \u2018Patrimonium\u2019,\u00a0een vereniging die haar leden bijstond bij ziekte en ongevallen en fungeerde als begrafenisfonds. Hij werd er bevriend met Cees Deij, die\u00a0net als hij bij de HAL werkte. Samen zagen ze de noodzaak van een bootwerkersorganisatie\u00a0en samen maakten ze daarvoor plannen,\u00a0maar Jochem was de doordrijver. Jochem\u00a0was namelijk korte tijd lid geweest van de Nederlandsche Scheeps- en\u00a0Bootwerkersbond, de enige die niet \u2018rood\u2019 was, maar hun\u00a0vergaderingen vonden plaats op zondag en\u00a0dat was tegen Jochem\u2019s principes. \u201cEen christelijke bond zou er moeten zijn\u201d, zei Jochem\u00a0tegen Cees en ze besloten op de vergadering\u00a0bij Patrimonium het idee naar voren te brengen. De vergadering zag er niets in, maar\u00a0Jochem ontdekte in zichzelf de eigenschappen van een terrier. Keurig maar vasthoudend\u00a0en rechtlijnig, met het altijd te herkennen accent van een vroeger boerendialecl, bleef hij\u00a0op zijn argumenten en plannen hameren. Als\u00a0het moest en hij was ergens van overtuigd, liet\u00a0hij niet meer los, al moest hij jarenlang op\u00a0hetzelfde terugkomen. Jaren werden het, vier<br>welgeteld, voordat ze voldoende steun van\u00a0Patrimonium kregen om op 10 juli 1900 de\u00a0\u2018Toenadering\u2019 op te richten. De vergadering\u00a0vond plaats in een oud pakhuis \u201cwaar meer\u00a0ratten waren dan vakbondsleden, die zelfs\u00a0midden op de dag krijgertje speelden.\u201d Over\u00a0de naam had Jochem lang nagedacht. Hij\u00a0moest uitdragen dat ze wel voor de arbeider\u00a0en betere arbeidsomstandigheden, maar tegen de (rode) klassestrijd waren. De notulen\u00a0van een vergadering vermelden:\u00a0~\u00a0Toen stond\u00a0Q op en zei: wat vinden jullie van de naam\u00a0Toenadering, dat geeft aan wat wij belangrijk\u00a0vinden: bouwen aan harmonie tussen de patroon en de werkman, waarvan tot op heden\u00a0weinig te bespeuren valt\u2026.\u201d.<\/p>\n\n\n\n<p>Bijzondere strijdlust, maar a\/tijd trouw aan&nbsp;zichzelf<br>Jochem en Ceesje hadden de \u2018Toenadering\u2019&nbsp;natuurlijk niet voor elkaar gekregen door vier&nbsp;jaar alleen maar op vergaderingen van Patrimonium te spreken. Zij hadden deelgenomen&nbsp;aan stakingen die zij rechtvaardig vonden, zij&nbsp;hadden plaatsgenomen in onderhandelingsen overlegcommissies en waren opgekomen&nbsp;voor de belangen van individuele bootwerkers&nbsp;die onheus bejegend werden. Zij zochten contact met de vele verenigingen en comile\u2019s, die&nbsp;in die dagen als paddestoelen uit de grond&nbsp;leken te komen, om hun gedachtengoed en&nbsp;aanbod voor samenwerking uit te dragen. Zij&nbsp;stelden onderzoeken in naar oorzaken en grieven die hadden gespeeld bij vertoren stakingen en probeerden dan toch nog met werkgevers te spreken, al werden ze even vaak als&nbsp;gajes weggejaagd door de portier.<\/p>\n\n\n\n<p>Jochem had moed, veel moed. De Toenadering bestond nog maar kort toen het bestuur\u00a0(waarin Jochem secretaris was) unaniem van\u00a0mening was dat er een staking uitbrak die niet\u00a0goed was. \u201cTe midden van een staking van\u00a0bootwerkers, waarvan het grootste deel onder\u00a0invloed stond van de revolutionaire bladen\u00a0\u2018Recht voor allen\u2019 {van Domela Nieuwenhuis]\u00a0en \u2018De roode duivel\u2019 [van Hermans] \u2026\u201d deelde hij pamfletten uit waarin zijn bond waarschuwde tegen deze staking. Hij moest door \u201cde huzaren\u201d (politie) worden ontzet toen ze hem\u00a0dreigden te lynchen, maar ging op de volgende straathoek gewoon verder. Toen de staking kort daarop verloren werd wendden velen\u00a0z\u00cech tot de Toenadering. Ook zijn vrouw Jannetje, intussen moeder van vele kinderen,\u00a0moest het op het Slieltjespiein een keer ontgelden toen zij \u2018s avonds laat een pak weekbladen was gaan ophalen. Iemand volgde\u00a0haar en zij \u201c.. bereidde zich al voor op lage en\u00a0gemene woorden\u201d. Maar een vuist sloeg haar\u00a0de tanden uit de mond en een stem riep: \u201cDie\u00a0is voor je vent, voor Quispel\u201d.<br>\u201cToch kan je niet zeggen dat vader hard was\u201d,\u00a0zegt een van Jochems zoons, zelf inmiddels\u00a0boven de negentig. Hij herinnert zich, dat hij\u00a0als kleine jongen wakker werd van geluiden in\u00a0de keuken, waar vader en moeder zaten.<br>\u201cDaar zat vader in zijn baaien hemd en lange\u00a0onderbroek, met zijn armen op tafel heftig te\u00a0huilen, echt heel erg te huilen.\u201d De HAL had,\u00a0volgens het principe \u2018als je ze niet kunt bevechten probeer ze dan te kopen\u2019, Jochem\u00a0een goede functie en een aanzienlijke loonsverhoging aangeboden. Jochem had intussen een geldverslindend gezin, maar het zou het\u00a0einde van de Toenadering en zijn bestuursfunctie daar betekenen. Zijn loon zou van f.\u00a012,- naar f. 25,- omhoog gaan: \u201c.. moeder zag\u00a0het geld, vader zijn levenswerk\u201d. Twee nachten huilde hij over de moeilijke beslissing,\u00a0maar Jochem bleek niet te koop. Niet lang\u00a0daarna kreeg hij op het werk een &lt;ongeluk\u2019, in\u00a0de haven val je makkelijk in de put (het ruim\u00a0van een schip). Toen kon hij dat zware werk\u00a0echt niet meer doen en de bond besloot hem\u00a0vrij te stellen (dat wil zeggen als betaalde bestuurder aan te stellen)<\/p>\n\n\n\n<p>Een man van aanzien<br>Hij raakte zijn accent nooit kwijt en hij leerde\u00a0nooit foutloos schrijven, maar in de haven\u00a0werd de naam Quispel wijd en zijd bekend. Er\u00a0waren soms komische, soms ernstige tegenslagen. Eens bleek een motie, enige maanden\u00a0nadat de Toenadering die had uitgebracht,\u00a0onverwacht nog van belang te worden. Het hele bestuur ging op zoek naar de tekst, maar\u00a0moest uiteindelijk de leggers van de kranten\u00a0doorsnuffelen om die te vinden. Jochem\u00a0schreef: \u201cDe beperkte ruimte in den arbeiderswoningen noopte je weleens, teneinde goede\u00a0vrienden met je vrouw te blijven, af en toe een\u00a0opruiming te houden\u2026 \u201c.<br>Hij was gehaat door de syndicalisten en de\u00a0anarchisten, hij werd meer dan eens gemolesteerd. Maar hij sprak met iedereen ondanks\u00a0rang of stand. Hij kende dominee Talma uit de\u00a0tijd van Patrimonium, en toen Talma minister\u00a0werd en een stuwadoorswet ontwierp, reisde\u00a0Jochem keer op keer naar zijn woning in Den\u00a0Haag of naar de Tweede Kamer en zat urenlang met Talma over teksten gebogen, tot ze\u00a0samen tevreden waren over het ontwerp voor\u00a0de wet. Hij werd een vaste bezoeker van de\u00a0Tweede Kamer als er zaken werden behandeld die de haven aangingen. Hij bleef kamerleden en ministers bestoken met argumenten.<\/p>\n\n\n\n<p>Hij schreef stuk na stuk, hoeveel zweetdruppels het schrijven hem ook kostte. En hij bleef\u00a0de werkgevers bestoken voor iedere bootwerker die zijn steun nodig had. Op een vergadering van een plaatselijke loonraad zei een\u00a0werkgever eens: \u201cJa, ik heb dat loon maar\u00a0gegeven, omdat Q tot vervelens toe bij mij is geweest\u201d. Maar als Jochem op reis ging had\u00a0hij alleen een pakketje boterhammen en een\u00a0kruikje gekookte thee. Niets anders, geen\u00a0luxe, zou hij zich permiteren, hoe ver hij ook\u00a0moest reizen. Hij bewerkte samenwerking en\u00a0samengaan met andere bonden en uiteindelijk\u00a0opname \u00cen het Christelijk Nationaal Vakverbond, waar hij van 1909 tot 1919 lid was van\u00a0het hoofdbestuur. In 1929 werd hij ridder in de\u00a0orde van Oranje Nassau. Op zijn begrafenis,\u00a011 augustus 1939, hingen in Rotterdam overal\u00a0witte lakens achter de ramen en vele prominente leden uit de samenleving, waaronder\u00a0minister Slotemaker de Bru\u201dlne, volgden de\u00a0stratenlange stoet. Tussen al dat werk door\u00a0was hij ook nog zoveel vader dat zijn zoons\u00a0nu nog trols op hem zijn, op hun vader, een boerenjongen die de havenbaronnen kon verslaan\u00a0.<\/p>\n\n\n\n<p>Geschreven door Jan Quispel (eerder gepubliceerd in Nieuwsbrief 15 (December 1995)<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Het was 17 oktober 1871. Een gure wind\u00a0waaide over het Haringvliet en de regen sloeg\u00a0met vlagen over de dijk langs de Zuidlandse\u00a0Polder. Achter die dijk lag een jongen te\u00a0schuilen tegen een koe. Hij was helemaal in\u00a0zijn oliejas en zuidwester gekropen om dekking tegen de gure natte vlagen te vinden en probeerde zich te warmen aan [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":46,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"_et_pb_use_builder":"","_et_pb_old_content":"","_et_gb_content_width":"","footnotes":""},"categories":[15,16],"tags":[],"class_list":["post-45","post","type-post","status-publish","format-standard","has-post-thumbnail","hentry","category-geschiedenis-20e-eeuw-algemeen","category-personen"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/45","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=45"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/45\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":47,"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/45\/revisions\/47"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/media\/46"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=45"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=45"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.zuytlant.nl\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=45"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}